Inbreng SO Maat­werk­af­spraken industrie


29 september 2022

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de ‘zomerbrief’ over maatwerkafspraken met de industrie. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de maatwerkbrief urgentie mist. We zouden nog alle tijd hebben om maandenlang te onderhandelen met grote vervuilers hoe ze hun bedrijfsvoering gaan verduurzamen. De minister start de onderhandelingen met slechts 20 bedrijven. Daarnaast krijgen bedrijven die ‘aantoonbaar beperkte opties hebben om te verduurzamen’ zelfs tot 2050 de tijd voor omschakeling. Deze leden zijn van mening dat er geen tijd te verliezen is. Het plan van de minister zou leuk zijn geweest in de jaren negentig, maar niet anno 2022. Om de doelen uit het Parijsakkoord te halen moet de uitstoot zo snel mogelijk zo veel mogelijk naar beneden. De wereld heeft nog slechts enkele jaren de tijd om het passeren van de kritische grens van 1.5 graden opwarming te voorkomen. Een rijk land als Nederland met een groot aandeel in het veroorzaken van de klimaatcrisis, dient hierin conform het Parijsakkoord het voortouw te nemen. Kan de minister reflecteren op het feit dat haar aanpak niet in lijn is met de doelen in het Parijsakkoord? Waar haalt ze het vertrouwen vandaan dat we de tijd hebben om te starten met slechts 20 bedrijven, gezien de steeds urgentere oproepen van klimaatwetenschappers dat we veel sneller moeten reduceren om een acceptabele kans op 1.5 graden te behouden? Hoe verhoudt de hoge uitstoot die Nederland na 2030 nog zal hebben als grote vervuilers toegestaan wordt pas richting 2040/2050 te verduurzamen zich tot de doelen in het Parijsakkoord, met name op het gebied van gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat grote vervuilers die hun bedrijfsvoering niet op tijd hebben aangepast moeten sluiten. Gezien de grote urgentie waarmee de uitstoot naar beneden moet worden gebracht is dat moment allang aangebroken. Vervuilers zoals Shell weten al sinds de jaren negentig dat ze een gigantisch aandeel hebben in het veroorzaken van catastrofale klimaatontwrichting. Al die tijd hebben ze nagelaten te investeren in duurzame energie, gelobbyd tegen ambitieus klimaatbeleid en geweigerd de bedrijfsvoering toekomstbestendig te maken. En nu zet ze in op discutabele technieken als CCS en grijze waterstof die de fossiele verslaving in stand houden. Acht de minister een dergelijk bedrijf een betrouwbare onderhandelingspartner? Waar haalt ze het vertrouwen vandaan dat deze bedrijven zelf met ambitieuze klimaatplannen gaan komen die de reductiedoelen daadwerkelijk dichterbij brengen? Welke zekerheid kan zij bieden dat de reductieopgave gehaald gaat worden met deze vrijblijvende aanpak? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie denken dat een klimaatplicht meer zekerheid zou bieden dat de doelen daadwerkelijk gehaald zullen worden. Kan de minister uitleggen waarom zij de industrie niet wettelijk verplicht tot de reductieopgave?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de industrie dik wordt betaald om te verduurzamen met behulp van discutabele technieken. Terwijl de industrie tientallen jaren heeft gehad om te verduurzamen, een groot deel van de tijd gratis kon vervuilen en nauwelijks belasting betaalt, houden ze nu de hand op bij de overheid. Deze leden vinden dat de belastingbetaler niet dient op te draaien voor de onverantwoordelijke struisvogelpolitiek van de vervuilende industrie. En al helemaal niet als dat geld gebruikt gaat worden voor dure en onzekere technieken zoals CCS, grijze en blauwe waterstof en biomassa, die de fossiele verslaving in stand houden en de natuurcrisis verergeren. Waarom kiest de minister niet voor het principe ‘de vervuiler betaalt’? Op welke manier is sprake van de door de minister zo vurig gewenste ‘wederkerigheid’ als de overheid blijft geven en de industrie alleen maar neemt?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn het met de minister eens dat “bedrijven die deze transitie niet willen of kunnen maken, op termijn zullen verdwijnen”[1]. De enige manier om de uitdagingen van deze tijd te lijf te gaan is door de verschillende crises – klimaat, natuur, gezondheid en bestaanszekerheid - in samenhang op te lossen. Daarbij dient de fundamentele vraag gesteld te worden welke energiebehoefte past binnen de ecologische grenzen van de planeet en bij het Nederland van de toekomst. Niet alles kan. We hebben geen kunstmestproducenten nodig voor de landbouw van de toekomst en we hebben geen olieraffinaderijen nodig voor een klimaatneutrale economie. De huidige industrie zal moeten krimpen, en de overheid moet daarin het voortouw nemen. Alleen op die manier zijn we ervan verzekerd dat alleen de bedrijven die het publieke belang dienen blijven bestaan. De minister wil deze fundamentele keuzes aan ‘de markt’ overlaten. Waar haalt de minister het vertrouwen vandaan dat de markt de huidige crises gaat oplossen, als het ook het vertrouwen in heilige marktwerking is geweest dat ons überhaupt in de problemen heeft gebracht? Waar is die visie op de energiebehoefte – en welke industrie daarbinnen past - van de toekomst?


[1] Brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat, 5 april 2022. Kst. 29 826, nr. 135